Electrotech-City een initiatief van Walter DI PILLA Eindelijk wordt elektrotechniek begrijpelijk ... |
| Ó wdp diffusion 2000 |
| N'abandonne pas tes yeux aux douceurs du
sommeil avant d'avoir examiné par trois fois les actions de ta
journée.
PYTHAGORE INHOUD : |
|
| MAGNETISCHE MATERIALEN | |
| a) magnetische permeabiliteit | |
| b) verzadiging - remanent magnetisme | |
| WEISS GEBIEDJES | |
MAGNETISCHE MATERIALEN
:
We kennen 3 fundamentele magnetische
materialen : ijzer, kobalt en nikkel. Andere magnetische materialen
worden gemaakt door het legeren van de 3 materialen onderling
of met andere, niet magnetische, materialen. Bijvoorbeeld : staal
dat bestaat uit ijzer, koolstof, nikkel, chroom, magnesium, sporen
van zwavel, fosfor, aluminium, enz. Afhankelijk van hun samenstelling
hebben die legeringen verschillende magnetische eigenschappen.
De belangrijkste zijn :
de magnetische permeabiliteit,
de verzadiging,
het remanent magnetisme
a) de magnetische permeabiliteit
:
De magnetische permeabiliteit
is het vermogen dat een materiaal bezit om een magnetisch veld
te geleiden, dwz. om de magnetische veldlijnen te bundelen of
om de magnetische inductie te verhogen.
| In het geval van lucht, vacuum of bij niet-magnetische materialen, geldt µ0 waarvan de waarde altijd 4π . 10-7is.Het symbool voor deze "absolute magnetische permeabiliteit in vacuüm" is : |
In het geval van magnetische materialen komt er de relative magnetische permeabiliteit µr bij :
deze geeft de verhouding weer tussen de magnetische inductie in lucht en die in het materiaal. De absolute permeabiliteit µ van het materiaal wordt dan :
Om de magnetische inductie in een magnetisch
materiaal te bepalen (bijvoorbeeld in de kern van een spoel),
kun je beginnen met het berekenen van de inductie zonder dat materiaal,
dus bij een luchtspoel, en vervolgens deze te vermenigvuldigen
met de relatieve permeabiliteit. .
Opmerking : De "goede" magnetische
materialen kunnen een µr hebben van meer dan
10.000. Een kern van zo'n materiaal verhoogt de inductie van een
luchtspoel met een factor 10.000 of meer. Maar helaas geldt dat
alleen voor lage waarden van de magnetische inductie. Als de magnetische
inductie te groot wordt in een materiaal (maximum 2.2 Tesla bij
de betere magnetische materialen), krijgen we te maken met een
effect dat verdere toename van de B stopt, m.a.w. de factor µr
verkleint ! Dit wordt de verzadiging genoemd.
b) verzadiging - remanent magnetisme :
We doen de volgende proef :
We laten een regelbare stroom door een spoel lopen. Die stroom
regelen we eerst op (tot enkele ampères) en vervolgens
weer terug. We veranderen zo dus ook de ampèrewindingen
(n.I) dus de veldsterkte H. We meten de inductie B midden in de
spoel met en zonder kern als functie van H. Dat levert het volgende
plaatje op :
![]() |
Met lucht als kern, neemt B lineair toe
maar niet erg snel. De helling wordt bepaald door de µ0.
Om toch een hoge waarde voor B te krijgen hebben we erg veel ampèrewindingen
nodig (dus liefst veel windingen en een hoge stroom) hetgeen in
de praktijk niet goed realiseerbaar is.
Met een kern van magnetisch materiaal krijgen we drie verschijnselen
:
Opmerkingen: Als het remanent magnetisme (Br) willen
opheffen moeten we een negatieve veldsterkte aanbrengen. Dat betekent
gewoon de stroom (dus de H) ompolen. Blijven we die negatieve
stroom groter maken dan bereiken we een negatieve verzadigingsdrempel.
De juiste vorm van de hysteresislus (bijv. breed of smal) hangt
erg af van de materiaalsamenstelling De waarden van het remanent
magnetisme en van de verzadigingsdrempel hebben niets met elkaar
te maken, maar toch komen een hoog remanent magnetisme en een
hoge verzadigingsdrempel niet samen voor.
Voorbeelden van enkele magnetiseringskrommen van verschillende materialen :
![]() |
WEISS GEBIEDJES
Als we een stuk ijzer onder een
geweldige microscoop zouden bekijken, zouden we gebiedjes zien,
de z.g.n. Weiss gebiedjes, waarin zich zeer kleine "elementaire
magneetjes" bevinden die allemaal met hun magneetveld dezelfde
kant op gericht zijn.Dat geldt voor alle gebiedjes maar van gebiedje
tot gebiedje is die gezamenlijke richting willekeurig. Het gevolg
daarvan is dat het gezamenlijke magneetveld van al die gebiedjes
nul is ! Het stuk ijzer is dus niet merkbaar magnetisch.
![]() |
Wanneer we nu echter het stuk ijzer in
het magneetveld brengen van een staafmagneet gaan de Weiss gebiedjes
samenwerken en langzamerhand staan al hun magneetveldjes gericht
volgens het veld van de staafmagneet. Ons ijzer wordt nu dus wel
merkbaar magnetisch !
![]() |
We kunnen er nu dus het volgende over
zeggen :
Opmerking : Als we het externe magneetveld (onze staafmagneet) weghalen, vallen niet alle Weiss gebiedjes terug in hun oorspronkelijke willekeurige stand. Hierdoor blijft er een zwakke zuid- en een zwakke noordpool over. Dat overblijvende magnetisme wordt remanent magnetisme genoemd. Dit stelt ons in staat om permanente of semi permanente magneten te maken (dat hangt bijvoorbeeld af van het gebruik van de ijzer of staalsoort). Permanente magneten worden bijvoorbeeld gebruikt in gelijkstroommachines van laag vermogen (ook in luidsprekers, walkmans en draagbare cd-spelers).