Voor het laatst bijgewerkt op: 7 februari 2012
Voor het broed hebben de bijen grote hoeveelheden stuifmeel nodig. In mijn 'gazon', wat die naam eigenlijk niet mag hebben, staan ook madeliefjes. Als ik wat laat ben met maaien komen ze snel in bloei. Het is geen grote drachtplant, maar een enkele bij wil er toch wel op vliegen. Op de foto is mooi te zien hoe het stuifmeel in een klompje aan de achterpoten wordt vervoerd. Het wordt plakkend gemaakt met wat nectar en de grote kromme haren aan de achterpoten fungeren als draagkorfje, zie volgende foto.
Veel bijen en hommels die zogenaamde scheenverzamelaars zijn, hebben op de achterschenen, dus die van het 3e paar poten twee rijen korfharen. Op nevenstaande foto is een complete achterpoot van een honingbij-werkster te zien. Bij de darren ontbreken die korfharen uiteraard, want die verzamelen immers geen stuifmeel. Op de vergrote foto zijn namen van pootonderdelen bijgevoegd.
Veel solitaire bijen verzamelen stuifmeel op andere wijzen, bijvoorbeeld in een buikschuier (bijv. bladsnijders), in de krop (maskerbijen) of hebben een mix-gebruik van scheen, dij en begin onderlijf (bijv. zijdebijen).
Op deze foto is goed zichtbaar, dat het platte buitenste deel van de scheen geheel onbehaard is en dat er rijen kromme haren staan op de buitenkanten met de kromming naar elkaar toe, zodat een draagkorfje ontstaat. Aan de top van de scheen staat ook nog een stuifmeelkam, die bedoeld is om het verzamelen en aan de poot hechten van stuifmeel te vergemakkelijken.
Tussen de klauwtjes van de poten is het grijswitte zuignapje (arolium) te zien.
Om nectar en water te kunnen verzamelen hebben honingbijen een tong. Dat is een vrij complex organisme met veel functionaliteit. Op bijgaande foto is de tong te zien vanaf de voor(boven)-kant. De bovenkaken zijn hier gesloten maar meestal zijn die bij gebruik van de tong wat gespreid en zit de uitgeklapte tong daartussen. Dit is een dode werkster en dan is de tong dikwijls geheel uitgestoken, zeker als er sprake is van vergiftiging. De tong bestaat uit een slurfachtig deel, waarvan het laatste deel zeer beweeglijk is en deze eindigt in een soort lepel, waarmee vocht opgenomen kan worden. Het bovenste deel van de tong bestaat uit 2 gootvormig uitgeholde delen die samen vergroeid zijn en de onderlip geheel omvatten. Dat zijn eigenlijk de onderkaken, maar die zijn hier dus omgevormd tot een geheel ander orgaan. Op deze foto vanaf de onderkant is nog wat beter te zien dat de basis van de tong uit genoemde 2 delen bestaat. In rust wordt de tong teruggeklapt. Het uitklappen gebeurt door bloedtoevoer. Halverwege de tong zitten nog enkele uitsteeksels. Dat zijn tasters (palpen) waarmee geproefd kan worden. De tong is met haarborstels bezet waarin de nectar blijft hangen. Die borstels worden afgestreken tegen de slurf en zo opgezogen in de mondholte, waarna dit vocht verder wordt verplaatst naar de honingblaas. Indien de massa van het vocht wat groter is, bijv. een beschadigde honingopslagcel of een flinke druppel, kan de bij het direct opzuigen via de slurf. De tong van een honingbijwerkster is, afhankelijk van het ras, 5,7 tot 7,5 mm lang. De tong van een dar of koningin is een stuk korter. Op de foto is nummer 1 het kopschild (clypeus); nummer 2 de bovenlip (labrum) met aan de onderkant nog een randje haren; nummer 3 de (boven)kaken (mandibels); nummer 4 zijn de tot slurf omgevormde onderkaken (maxilla, maxillen); nummer 5 zijn de 2 uiteinden van de labiale palpen; nummer 6 is de tong (glossa), nummer 7 is het lepelvormig eind van de tong (labellum). Het is een oude afgevlogen bij en de beharing op clypeus en labrum is een stuk minder dan bij een jonge bij. Bij zoogdieren heet de bovenkaak maxilla en de onderkaak mandibel; bij geleedpotigen dus precies andersom. Dat is wat verwarrend. Waarom men daarvoor gekozen heeft, is mij niet bekend.
Sommige planten geven stuifmeel in overdaad af, soms ook nog plakkerig zoals bijvoorbeeld de teunisbloem doet. De bijen die het Muskuskaasjeskruid bezoeken komen meestal om nectar te zuigen, maar de bloemen willen graag dat de bij helpt bij de bestuiving en geven daarom rijkelijk stuifmeel af in een soort verzamelkorrels. De bijen kunnen er geheel onder bedekt raken en het is een wonder dat ze nog iets kunnen zien.
Het stuifmeel wordt opgeslagen boven en naast het broednest. In een broedkamer van 10 ramen zijn bij mij de buitenste ramen in gebruik voor honingopslag. In het 2e en 9e raam wordt meestal stuifmeel opgeslagen. Deze ramen liggen direct naast het broednest en daar vind je ook de meeste darren.
In het voorjaar is een drachtbron dichtbij het volk van belang. De bijen behoeven er niet ver voor te vliegen. In maart bloeit bij mij in de tuin massaal Annemone blanda. Dat is een zeer goede stuifmeelbron en de plant geeft ook nectar. Eerdere bronnen zijn sneeuwklokjes, maar dan is het meestal nog te koud om veel te betekenen. Winteraconiet en Boerenkrokus zijn iets later dan de sneeuwklokjes en zeer welkom voor de bijen na de lange winter. Bij goed weer zoemt het dan boven het bloemtapijt.
De darren zijn groter dan de werkbijen. Zij bivakkeren meestal aan de randen van het broednest. Met hun grotere lichamen fungeren ze als een natuurlijke isolatie. De temperatuur van het broed wordt door de bijen op ca. 34º C gehouden.
Ter vergelijking hier rechts een plaatje van een koningin en een dar. De darren zijn veel breder, hebben een stomp achterlijf (geen angel) en zijn hariger. De vleugels komen door hun lengte voorbij de achterlijfpunt. Ze hebben ook veel grotere ogen dan werksters en koninginnen. Dat komt ze mogelijk goed van pas bij het vinden van bronstige koninginnen, na eerst via de antennen op de geur af te gaan.
Op dit plaatje zijn links van de koningin ook enkele cellen te zien met eitjes (witte staafjes).
Het zoeken naar een ongemerkte koningin in een volk zonder darren is niet zo moeilijk. Zodra er veel darren zijn, is het zoeken naar een groter insect echter niet meer nutig. Beter is het dan op het gedrag te letten.
De moeren in mijn kastvolken werden vroeger alle gemerkt en geknipt (één vleugel wordt ingekort). Ze zijn gemakkelijker te vinden en eventuele zwermen kunnen niet vertrekken. De moer op het plaatje links onderzoekt de inhoud van een cel. De moer wordt steeds omgeven door een aantal bijen die haar voeden en verzorgen (de hofstaat). Tegenwoordig knip ik de moeren niet meer, omdat ik ze natuurlijk laat zwermen. Het merken zou dan overigens nog wel kunnen, maar dat is slechts een onnodige verstoring, omdat ik de moer toch niet hoef te zoeken.
Op de foto rechts is te zien hoe de moer door een werkster wordt gevoed. Let op de kleur van de poten: een moer heeft bruine poten; werksters en darren hebben zwarte poten.
Het merken van de koningin vergemakkelijkt het zoeken in een groot volk. Bij het nazien is het prettig om ze even apart te zetten, zodat ze niet beschadigd wordt. Het raam waarop ze wordt gevonden wordt dan even in een 3-raamskastje afgesloten bewaard.
Om de moer in de juiste positie te hebben voor het knippen en merken (in die volgorde) pak je haar op bij het borststuk of de beide vleugels met de rechterhand (als je rechts bent) en plaats je de moer tussen wijsvinger en duim van de linkerhand, waarbij het achterlijf naar buiten steekt en rust op de middelvinger. Je kunt de druk gedoseerd geven door ook gedeeltelijk in de middelvinger zelf te knijpen. Dat vergemakkelijkt de beperkte druk die de moer kan hebben. Op die wijze kun je gemakkelijk werken, ook met staniolplaatjes en lijm met behulp van luciferstokjes of satéprikkers voor het plakken en opdrukken (even nat maken).
De stand is belangrijk, want bij andersom vasthouden (met de kop naar buiten) geeft dat gemakkelijk lak op de kop. De ogen worden zo beschadigd en dat is uiteraard niet de bedoeling. Het lakken doe ik tegenwoordig met speciale Italiaanse merkflesjes. Eén keer licht op een krant afstrijken is soms nodig, omdat er gauw te veel lak is. Ik gebruik slechts één kleur: lichtblauw. Die zie je het best van alle kleuren. Als je daarin principieel bent kun je de aangewezen jaarkleuren gebruiken. Bij het knippen wordt ongeveer eenderde van een voorvleugel ingekort. De moer kan dan niet meer normaal vliegen. Een zwerm kan daardoor niet vertrekken.
Koninginnen kunnen steken maar zullen dat niet doen bij het in de hand nemen. Het is mij nog nooit gebeurd. Als ik meer moeren achtereenvolgens merk, was ik wel steeds zorgvuldig mijn handen tussendoor. Moeren steken alleen andere moeren en de geur van de vorige moer kan ze in verwarring brengen.
Na 2005 ben ik gestopt met het merken van moeren, omdat mijn teeltmethode geheel is gewijzigd. Ik kijk nauwelijks in de volken en dus is het merken van moeren niet nodig. De volken worden merendeels beoordeeld op het gedrag aan de buitenkant van de kast, met name op de vliegplank. Daaruit is veel af te leiden. Af en toe luister ik met een stethoscoop naar het geluid aan de binnenkant, want ook dat kan aanwijzingen geven. Omdat ik de volken natuurlijk laat zwermen is het knippen van de vleugels van een moer uiteraard ook niet meer aan de orde.
Honingbijen en sommige wespen en mieren hebben angels, die zijn voorzien van weerhaakjes, zodat deze even blijven zitten, lang genoeg om het gif te injecteren. De angel van de honingbijwerkster heeft in het lichaam van de bij een afbreekpunt. Dat hebben de meeste andere stekende insecten niet. De honingbij verliest daarom bij het steken de angel en wordt daardoor zodanig ernstig beschadigd, dat ze na een dag sterft. Het is dus niet alleen de weerhaakstructuur van de angel, die maakt dat de angel afbreekt. De weerhaken zijn niet erg nadrukkelijk aanwezig: het zijn kleine inkepingen, zie volgende foto. Op de angel van de honingbij zit een spiertje en een gifblaasje dat ook meekomt bij het afbreken. Het spiertje doet ook los van het lichaam nog voldoende werk om het blaasje leeg te drukken en zo het gif te injecteren.
De angel heeft een 2-ledige structuur. De delen hebben een soort lancetvorm en kunnen langs het middendeel heen en weer schuiven, waardoor het doordringen in de huid gemakkelijker gaat.
Indien men door een honingbij gestoken wordt moet de angel zo vlug mogelijk met de nagel worden weggeschraapt: niet knijpen en geen pincet gebruiken, want dat geeft alleen maar meer verspreiding van het gif. De honingbijkoningin heeft overigens een gladde angel, zoals de meeste angeldragende insecten.
Hier is de angel te zien van een honingbij-werkster. Op tekeningen van de angel wordt dikwijls een duidelijke zaagtand-structuur weergegeven, maar de werkelijkheid is toch wat anders. Deze foto laat zien, dat er aan het eind van de angel geringe inkepingen zijn, die er niet sterk weerhaakachtig uitzien. Mogelijk verschilt het per individu en/of ras. Dit is een extreme vergroting, want de angel is slechts circa 2-3 mm lang.
Als de bijen terugkomen van een drachtvlucht, zie je er een aantal niet direct naar binnen vliegen. Ze rusten dan even uit. Vooral bij wat koeler weer zie ik dit verschijnsel en juist dan geeft het problemen. Er kunnen er veel verkleumen van de kou. Zodra de honingbij afkoelt en ook zelf niet meer genoeg energie heeft, zal ze blijven zitten waar ze zit. Dat is meestal fataal. Als het broednest vrij uitgebreid is in het voorjaar, hebben ze nu eenmaal veel water en stuifmeel nodig. Ook als het relatief koud is (9º C) vliegen ze dan nog uit. Daarmee nemen ze een groot risico.
Honingbijen hebben veel water nodig. Ten eerste voor het broed. Zelfs bij koud weer zie dikwijls snelle waterhaalsters bezig bij vijverranden, lekkende regentonnen e.d. Ook in het parapluvormige blad van Darmera peltata blijft water staan. Soms baden er kleine vogels in, maar de bijen weten die plekken ook te vinden. Ook voor het instandhouden van een hoge relatieve vochtigheid in het broednest is water nodig. Bij warm weer wordt water gebruikt om te koelen via ventilatie. Dan kan het een drukte van belang zijn op een waterhaalplek. Imkers noemen die ook wel een bijenkroeg.
Als de bijen alle zwermplannen hebben opgegeven in de zomer gaan ze over tot de zogenaamde darrenslacht. De darren zijn niet langer nuttig voor het volk en ze gaan zich voorbereiden op de winter. Meestal gebeurt dat in de tweede helft van augustus. Eind juli 2002 had ik echter reeds een korf die de darren opruimde. In de eerste week van augustus volgde een tweede korf. Dat is naar mijn ervaring extreem vroeg in onze omgeving.Alle darren worden de korf uitgejaagd, niet goedschiks dan kwaadschiks, want de meeste darren overleven het niet. Voor deze korf liggen tientallen dode darren.
De werksters zijn bij de darrenslacht zeer fanatiek en hebben geen enkele coulantie met de darren. Er wordt aan getrokken en gesleept, soms wordt een dreigende houding aangenomen met de angel op de dar gericht.
Dode bijen die voor de bijenvolken liggen, worden meestal opgeruimd door wespen. Als de bijen nog maar kort dood zijn biedt het borststuk een eiwitrijk voedsel voor de wespenlarven. Nutteloze delen worden eerst afgeknaagd voordat de wesp de restanten vervoert naar het wespennest.
In het jaar 2002 heb ik drie wilde bijenvolken met een bestaand broednest opgeruimd. Twee ervan zaten in een compostbak. Dat is kennelijk een goede plek als de bak niet geheel gevuld is. Het derde volk zat onder de nok van een dak in een afgetimmerde ruimte. Deze was vrij groot. Ik heb er geen plaatjes van, maar ik had nog nooit zoiets gezien. Het was een geweldig nest met prachtige raten tot ruim 60 cm breedte. Ik heb het gehele nest verwijderd, waaronder circa 12 kg honing. De invliegopening was een klein gaatje in het dakbeschot onder de dakpannen. Het verwijderen van afval was daarom moeilijk voor dit volk. Als gevolg daarvan lag er een laag wasmul en rommel van circa 5 cm dikte onder de raten. Aan de zijkanten en in de wasmul wemelde het van de larven van de grote wasmot, die zeer sterke spinsels maken. Daar hadden ze kennelijk niet veel last van. Deze bijen hadden wel zeer veel last van varroa en ze zijn daarom door mij vernietigd. Ze zaten al meer dan een jaar op die plek volgens de bewoonster en gaven inmiddels binnenshuis zeer veel last. Er liepen honderden bijen overal in huis.
Van de twee compostbakvolken heb ik de broedramen in lege raampjes gemonteerd en de volken in een zesramer meegenomen na een paar dagen. Later zijn ze bij mij thuis verenigd met andere volken. Op de foto is te zien dat een deel van de raten naar beneden was gevallen nadat de bewoner de bak geopend had. De bijen zijn direct daarna weer begonnen met nieuwe (witte) raat aan de linkerkant. Het was al begin september en daarom had dit volk niet veel kans om te overleven, want de honingvoorraden waren met minder dan 1 kg zeer beperkt.
Als de temperatuur in het broednest te ver oploopt bij warm weer zijn er veel ventilerende bijen actief. Ze waaieren met de vleugels de warmte weg, meestal ook gebruik makend van water. Ze voeren dus de luchtvochtigheid in de kast op en kunnen zo gemakkelijker de temperatuur op het juiste niveau van ongeveer 34° C. houden. Ook bij veel dracht van nectar zie je veel ventilerende bijen om het vochtgehalte daarvan terug te brengen. Om er honing van te maken mag de nectar uiteindelijk nog maar ongeveer 20% water bevatten. Het ventileren om de nectar in te dikken gebeurt pas in de avond. De ventilatiebijen staan dan meer in de vliegopening dan ervoor. Als er dan niet te veel wind is, kun je de geur van de nectar en de bijenkast ook goed ruiken.
Voor het verenigen van bijenvolken zijn er verschillende technieken. In het voorjaar gaat dat het gemakkelijkst. De ramen worden gewoon om en om bij elkaar gehangen. De moeren hoeven niet te worden opgezocht, maar meestal zal de imker dat wel doen om kwaliteitszekerheid te hebben over de moer die overblijft. In de loop van de zomer worden de volken dikwijls via de krantenmethode verenigd. De geur van de drukinkt verdoezelt de verschillende volksgeuren en dat gaat ook meestal goed. In het najaar is ook die methode niet geheel betrouwbaar. Dan kan het beste een separator tussen de 2 te verenigen volken gezet worden. Eerst worden ze naast elkaar gezet, dan op elkaar en daarna wordt de bodem van het bovenste volk vervangen door een separator. Die blijft slechts 2 dagen liggen, niet korter en ook langer is niet nodig. Indien je dat laatste wél doet zullen de bijen beginnen met braamraat te bouwen naar elkaar toe. Dat is dus onnodige verspilling van energie. Ook hier wordt direct voorafgaand aan het verwijderen van de separator de moer die niet behouden moet worden uit het volk gehaald. Voor de zekerheid kan ook dan nog een krant tussen de 2 volken gelegd worden, maar echt nodig is het niet, want ze zijn al aan elkaars geuren gewend.
Een separator bestaat voor een groot deel uit gaas en heeft een eigen vliegopening. De bijen kunnen alleen via het gaas enig contact hebben maar niet bij elkaar komen. In de handel zijn diverse uitvoeringen beschikbaar. Die op het plaatje is een eigen fabrikaat en is wat dikker, maar voldoet ook goed.
Bij een niet juiste opslag van gebruikte raten kan veel schade ontstaan door wasmottenvraat. De getoonde larve is die van de Kleine wasmot (Achroia grisella). De kleur varieert van witachtig tot geelbruin. De kleur is wat afhankelijk van het stadium van de larve. Ze maken spinselgangen dwars door de celtussenschotten van de raten. De larve van deze mot is maximaal ongeveer 2 cm lang. Hier is nog een foto van een veel kleinere larve (6 mm) en die is wat anders van kleur. De larven vervellen een aantal keren bij het groeien. Het imago van deze mot is naar verhouding tot de larve vrij klein. Het is een onbeduidend grauwbruin motje van circa 11 mm lengte, dat je veel rondom bijenkasten en -korven of in de buurt van opgeslagen raten ziet vliegen. Opvallend is de gele beharing op de voorkant van de kop.
De larve van de Grote wasmot (Galleria mellonella) is bruingrijs van kleur en wat groter dan die van de kleine wasmot, ongeveer tot ruim 3 cm lang. Achter de kop zitten, net als bij de kleine wasmotlarve, 2 chitineplaatjes. Deze soort wordt veel gekweekt als voedsel voor reptielen. De larven maken een groter spinsel aan de buitenkant van de raat. Hier is het mannetje van de grote wasmot te zien. Ze zijn ongeveer 15 mm lang. De vrouwtjes zijn wat groter (tot ruim 20 mm lengte).Dat is ook goed af te meten aan het insect ten opzichte van de raatcellen (mannetje 3 cellen; vrouwtje 4 cellen lang).
In hommelnesten komt de Hommelmot (Aphomia sociella) voor. Die larven maken zeer sterke spinsels en lijken sociaal te leven. Ik ken ze heel goed van hommelnesten in mijn nestkasten. Ze vreten de was geheel op. Bij het verpoppen maken ze een soort gootje wat ze uit het kasthout knagen. Ze verpoppen graag zij aan zij, zodat er veel beschadiging kan ontstaan. Op de hommel-site laat ik de binnenkant van hommelkasten en deze larven zien. Daarbij zijn de eerdere beschadigingen door de larven van de hommelwasmot in één van de hoeken van de nestkast goed zichtbaar.
De spinsels van de larven van de Grote wasmot zijn erg duidelijk herkenbaar. De spinseldraden zijn veel ruimer aangebracht dan bij de Kleine wasmot en ook zitten in zo'n spinsel meerdere larven bij elkaar. Door de massaliteit en de vraatzucht is een dergelijke raat als geheel verloren te beschouwen. De larven vreten dwars door alles heen en vernielen de gehele raat. Hier is nog een detail te zien van een dergelijke raat. Ik heb deze raat speciaal in een kastje bewaard om deze foto's te kunnen nemen, want in een normale situatie komen wasmotten niet zo veel voor indien voldoende voorzorgen worden genomen bij het opbergen van raten. Is er toch een raat aangetast, dan gaat die zo snel mogelijk in de wassmelter.
In een bijenkast leven veel andere dieren. Ik noem als voorbeeld mijten en kevers. Ik doel hier niet op de mijten die op de bijen leven maar de stuifmeelmijt: een weinig behaarde mijt met een peervormig lichaam. Deze vrij kleine mijten (0,35 mm) kunnen zeer talrijk zijn (een Varroamijt meet 1,2 mm breedte). Als de bijen de stuifmeelraten niet goed bezetten zullen de mijten de voorraden stuifmeel allemaal omzetten in nieuwe mijten. De restanten kunnen dan als meel worden uitgeklopt, maar voor het bijenvolk is het een groot verlies. Er kunnen in een bijenvolk ook nog roofmijten leven, die predatoren zijn van de stuifmeelmijt. Die roofmijten zijn een stuk groter: ongeveer 0,7 mm lengte.
Vooral op bodems van bijenkasten kan het een drukte van belang zijn met allerlei medebewoners, die verder niet veel schade doen. Dat zijn bijvoorbeeld schimmel-etende kevers als de kleine (2 mm) Cartodere nodifer. Het is een opmerkelijk getekend kevertje met een witte rand om het halsschild en brede lengterichels op de elytra (dekschilden). Ze zijn niet talrijk en vallen bovendien niet op, vooral door de schutkleur en de geringe grootte.
Een ander kevertje, dat ik ieder jaar wél in grotere aantallen zie, is een Cryptophagus-soort (Dwergschimmelkever). Je vindt gemakkelijk meerdere exemplaren per bodem, vooral op dichte bodems, maar ook wel op schuiflades, maar omdat die wat droger zijn meestal wat minder. Het is net als de vorige een klein beestje (2,3 mm), maar met een iets opvallender kleur: roodbruin met een beetje koperkleurige schittering. Het genus Cryptophagidae is een crime voor de deskundigen, want er zijn tientallen soorten en ze lijken alle op elkaar. Genitaal onderzoek van de mannetjes moet dan uitkomst (juiste naam) bieden. Dr Oscar Vorst heeft kevers en larven voor mij onderzocht en gedetermineerd op Cryptophagus uncinatus (syn.: C. postpositus). Op één bodem kun je gemakkelijk enkele tientallen larven zien in verschillende stadia. In december zijn ze nog zeer actief ondanks de kou. Omdat ik half december de bodems van de kasten omwissel voor dichte hogere bodems in verband met de oxaalzuurverdamping omstreeks de kerstdagen, kijk ik die bodems kritisch na. Ik maak ze dan schoon en plaats ze na de verdamping weer terug.
De vrij grote hoeveelheden larven op dat tijdstip verbaasden mij, want je zou denken dat de voortplantingstijd voor dergelijke insecten in het warmere seizoen ligt. Een aantal larven heb ik uitgekweekt op een substraat afkomstig van een bijenkastbodem. Dat was succesvol, want ik kreeg 7 weken na de start meer dan 20 adulte kevers te zien in mijn kweekbakje, waarvan dit exemplaar een nog niet geheel uitgeharde kever was, dus vrij kort tevoren ontpopt. Deze was wél geheel op kleur en dus al enkele dagen oud. Op dat moment vond ik ook nog poppen (2 mm) van deze kever en die fotografeerde ik met dit resultaat: zijkant; bovenzijde. Bij de laatste foto ligt er voor de pop nog een eitje. Mogelijk hebben de ontpopte kevers direct gepaard en zijn de vrouwtjes snel aan de leg gegaan.
Over deze kevers is in imkerkringen nauwelijks iets gepubliceerd. Dat is jammer, want het is een interessante kever, die schaars is, maar die plaatselijk talrijk kan zijn. De onbekendheid heeft vermoedelijk te maken met de geringe interesse die imkers hebben voor het overige leven op de bodem van een bijenkast. Toch hoort dat er ook bij. Deze kever is een medebewoner, net als de wasmotten en stuifmeelmijten, maar dan niet schadelijk, want ze leven uitsluitend van schimmels en mogelijk van wat organisch afval. Ze kunnen heel goed vliegen en door vervliegen kunnen ze wellicht wél bijdragen aan de verspreiding van bijenziekten, maar dat doen darren ook en waarschijnlijk in veel sterkere mate.
Een verwante soort van dit genus is al langer bekend als bewoner van o.a. bijenkasten, maar bijv. ook van roofvogelnesten. Dat is Cryptophagus scanicus die ook bij mij aanwezig is. Deze C. scanicus is een fractie kleiner dan C. uncinatus (2,0 - 2,3 mm) en heeft merendeels donkere elytra, dikwijls met roodbruine vlekken op de voorhoeken. De verdikkingen op de voorpunten van het halsschild zijn wat meer afgevlakt. Ze leven op dezelfde wijze van schimmels en dergelijke. Ze kunnen zeer goed vliegen en hebben relatief grote vleugels: meer dan 2 maal zo lang en breed als de elytra waaronder ze opgevouwen zijn in rust.
Bij mij komt in de bijenkasten nog een 3e soort Cryptophagus-kever voor: C. saginatus. Die lijkt qua kleur op uncinatus maar heeft meer afgevlakte schouderbulten.
Al deze dwergschimmelkevers kunnen belaagd worden door roofkvers en dan met name larven van bijv. Cantaridae of imago's van kortschildkevers. Die laatstgenoemde waren aan het eind van de winter 2008-2009 vrij talrijk in een bepaalde bijenkast, waarin ik eerder veel Cryptophagus-kevers ving. Latere vangsten daarvan gaven veel beschadigde kvers te zien, vooral met defecten aan voor- en middelpoten en de antennen. Ik vermoed dat de kortschildkevers er de oorzaak van zijn. Er waren ongeveer 10 exemplaren op de bodem aanwezig, maar waarschijnlijk veel meer, want ze vliegen gemakkelijk op. Nadat ik een bodem binnenshuis had nagepluisd en 9 kevers had gevangen, zag ik enkele dagen daarna er nog ruim 10 op de ramen zitten. Veel kortschildkevers zijn carnivoren en ze staan bekend als felle jagers. Toch is er van diverse soorten niet zo veel bekend over het foerageergedrag. De soort die ik ving was Proteinus ovalis (det. dr. Oscar Vorst), zie foto 1, foto 2. Ze zijn gemiddeld 2,5 mm lang, een kleine soort dus, want binnen deze grote familie (Staphylinidae) zijn er in Nederland veel geslachten met bijna 1000 soorten, waarvan er vele een flink stuk groter zijn, tot meer dan 20 mm lengte. Enkele bronnen geven voor deze soort aan dat de kever mycetofiel is. Dat wil zeggen dat ze een voorkeur hebben voor schimmelculturen. Dat klopt bij mij ook wel, maar ik vermoed dat ze geen schimmels eten maar andere schimmeletende insecten, zoals Cryptophagus-soorten, die op dezelfde bodems voorkomen.
Bij kevers in een bijenvolk wordt meestal direct gedacht aan de Kleine Bijenkastkever (Aethina tumida). Die is echter anders van vorm, veel breder met ronde hoeken en is bovendien aanzienlijk groter met 5 tot 7 mm lengte. Die kever zou in aantocht zijn, maar mag van mij nog lang wegblijven. Die zijn zeer schadelijk voor zowel het broed als de honingvoorraden. Het is een bedreiging die door de opwarming van het klimaat ook in onze contreien werkelijkheid zou kunnen worden. Dat geldt ook voor een bedreiging van geheel aard, maar niet minder ernstig. Dat is de Aziatische hoornaar (vespa velutina), die in Frankrijk inmiddels talrijk aanwezig is. Ik schreef er een artikel over in het blad van de Vlaamse Imkersbond (maart 2011). Op YouTube staat een filmpje over het verwijderen van een nest van deze hoornaar.
Op bijenkastbodems kan men ook stofluizen vinden, zoals deze Ectopsocus briggsi. Het zijn beestjes van ongeveer 2,5 mm lengte die lijken op vliegjes, maar het niet zijn. Ze behoren dus niet tot de Diptera, doch ook niet tot een orde of familie van luisachtigen, maar tot een aparte orde: Psocoptera. Ze hebben opvallend lange antennen. Vele soorten leven merendeels van schimmelsporen, stuifmeel, algen en dat soort plantaardig voedsel. Ook organisch afval en organische producten (zoals papier) worden wel als voedsel gebruikt. Andere eten soms dierlijk voedsel in de vorm van dode insecten. Dus voor verzamelingen kunnen bepaalde soorten even schadelijk zijn als de museumkevers. Mogelijk eten de larven van deze soort dode mijten en bijenresten op de bodem van de kast, omdat ik op de vrij droge schuiflade nauwelijks schimmels aantrof. Hier is nog een close-up van de kop te zien, waarbij de 3 puntogen zichtbaar zijn.
Op bijenkastbodems wemelt het van andere diersoorten. Ook enkele soorten springstaarten (orde Colembola) kunnen er regelmatig worden gezien, zeker in het winterseizoen, als de bodems door de bijen niet schoongehouden worden. Deze Tomocerus minor is een springstaartje van ruim 3 mm lengte. Ze leven van allerlei organisch afval en dat is op bijenkastbodems ruim voorhanden. Opvallend is dat je van springstaartjes dikwijl beschadigde exemplaren ziet. Zo ook deze, want die mist een deel van de rechter antenne. Het is een bekend verschijnsel. Mogelijk komt het door het gebruik van het springmachanisme. Onder het achterlijf zit een vorkachtig instrument (furcula), dat normaal zit vastgeklemd. Bij gevaar kunnen ze dat ontgrendelen en maken ze sprongen van meer dan 20 maal de eigen lichaamslengte. Ze komen niet altijd goed neer en dan beschadigt er mogelijk wel eens wat. De orde Colembola is zeer uitgebreid, met alleen al in Nederland vele honderden soorten.
Veel bijen worden een prooi van webbouwende spinnen, zoals de kruisspin. Een enkele keer zie je dat een jagende spin een bij vangt. Dit soort spinnen maakt geen web maar ze jagen op prooi op de plekken waar ze die verwachten. In dit geval was het een krabspin van de soort Xysticus cristatus op de bloem van Centaurie. De prooi wordt met een beet verdoofd en blijft nog enkele dagen vers voedsel voor de spin.
Nadat de honingkamers zijn afgenomen worden de volken zijn 's avonds op dezelfde dag van de zomerstandplaats naar huis gebracht. Bij het reizen kan ik 8 volken tegelijk meenemen: 2 in de auto en 6 op de aanhangwagen. De kasten worden met reisriemen kruiselings dicht- en vastgezet. Op die wijze kunnen er geen onderdelen verschuiven.
Voorafgaand aan het voeren voor de wintertijd, worden de varroamijten bestreden met een natuurlijk middel. In dit geval is dat Apiguard, een gelei, waarin thijmolie (thymol) is verwerkt. De bijen ruimen dat op en zo wordt de sterke thijmgeur in het volk verspreid. De bijen kunnen daar goed tegen, maar de mijten niet. De dode varroamijten vallen op de bodem. Het moet na 2 weken nog een keer herhaald worden. Het product zit verpakt in aluminiumbakjes. Het foliedekseltje wordt eraf getrokken, maar aan de punt vastgelaten. Zo wordt het boven de raten gegeven. Voor een goede werking moeten de bijen er bij kunnen om de inhoud te verwijderen en moeten onderin de kast de ventilatie-openingen dicht gemaakt zijn.
In mijn kastmateriaal is de bijenruimte van circa 8 mm geheel aan de bovenkant van de broedkamer. Dat is echter onvoldoende ruimte voor het bakje van 10 mm dikte. Er moet minimaal 5 mm ruimte tussen het bakje en de dekplank zijn en ik bereik dat door er een bijenuitlaatplank met 5 mm afstandslatje (zonder uitlaat) omgekeerd op te zetten. Daarop komt dan ter afsluiting de gewone dekplank. Er is dan in de cirkel ongeveer 12-13 mm ruimte tussen de bovenkant van de ramen en de dekplank. Het bakje met gelei is nu goed bereikbaar voor de bijen. Hier is te zien hoe dat er uitziet na het plaatsen van de uitlaat.
Na deze behandeling zullen er veel mijten sneuvelen en kunnen er voldoende goede winterbijen worden aangemaakt. Voor een goed resultaat is het noodzakelijk om deze behandeling te starten voor of uiterlijk op 15 augustus. In de loop van december wordt nog een oxaalzuur-verdamping toegepast als restontmijting, zie hiervoor de aparte pagina.
In het najaar, na de laatste honingafname, moeten de bijen worden gevoerd om de winter goed door te komen. In onze streek heeft een goed volk ongeveer 12 kg suiker nodig tot april van het volgende jaar. Vooral in het voorjaar wordt veel suiker verbruikt vanwege de lage buitentemperaturen en de opbouw van een broednest. Het broed wordt door de bijen constant op circa 34 à 35º C gehouden. Het roeren van de suiker doe ik met een boormachine en een honing-roerspiraal. Voor honing is het ding ongeschikt, want dat kan een normale boormachine niet aan. Er wordt 4 kg suiker opgelost in 3 liter water.
Op de achtergrond zijn stapels honingkamers te zien. De met een wit kruis gemerkte bakken zijn door mij afgekeurde oude broedkamers, die alleen nog voor de opslag van ramen worden gebruikt.
Het suikerwater wordt handwarm aan de bijen aangeboden. Ik gebruik het liefst de zogenaamde 'Mommersbakken'. Dat zijn houten bakken met een smalle spleet voor de bijentoegang, zie foto 1; foto 2. Bijen kunnen er niet in verdrinken. Ik heb ook enkele plactic bakken van 8 liter, maar de bijen nemen daaruit iets minder snel het suikerwater op. Als het te lang duurt, kan het bederven. Bij de eerste keer voeren, aan het begin van de avond, blijkt de inhoud (ruim 6 liter) de volgende morgen meestal al verdwenen.
Voorafgaand aan het voeren kijk ik eerst in alle volken en schat de hoeveelheid honing die aanwezig is. Omdat ik uit de broedkamers geen honing slinger, hebben de meeste volken een goede voorraad en is het suikerwater voeren slechts een bijzaak. Ik zorg dat alle kastvolken op 20 broedkamerramen minstens 12 kg honing en/of suiker hebben. Voor 10-ramers geldt 8 kg en 6-ramers 6 kg.
Je kunt bijen ook voeren met jampotten, maar dat gaat beduidend trager. In het najaar is dat geen goede optie, want de trage opname stimuleert het volk te veel om broed aan te zetten. Beter is het daarom om veel tegelijk te geven, onder de voorwaarde dat er bijen genoeg zijn om het suikerwater op te nemen en in te dampen. Als het dagenlang op het volk staat bederft het. Het voeren met een jampot doe ik alleen bij zwermen in het voorjaar en de zomer, om ze te stimuleren raat te bouwen. Door de hoeveelheid gaatjes in het deksel kun je dan nog kiezen voor sneller en langzamer opnemen. De jampotten staan omgekeerd op een opening (5,5 cm doorsnede) in een dekplank die wat kleiner is dan de doorsnede van het jampotdeksel. De gaatjes moeten dan zo geplaatst worden dat ze bereikbaar zijn door de opening. Om de potten te wisselen gebruik ik een schuifje van pvc dat precies halfrond om een delsel past. Je hoeft de kast dan niet open te maken en kunt dan gewoon de leg pot wegschuiven en de volle weer op de opening aanbrengen. Omdat de potten altijd iets lekken bij de omgekeerde stand, zet ik er een lege honingkamer op om roverij van het gemorste suikerwater te voorkomen. zie foto 1; foto 2; foto 3.
Het voeren van wintersuiker aan de korven moet op een speciale manier gebeuren. De voerbakken zijn in pricipe bedoeld om boven op de volken geplaatst te worden. Langs een smalle spleet aan de bovenkant komen de bijen het suikerwater ophalen. Bij een korf wordt de bak eronder geplaatst. De korf wordt op een omgekeerde honingkameruitlaatplank (zonder uitlaat) gezet boven een korf, die met los stro is gevuld. Zonder stro zouden de bijen massaal verdrinken. Nu halen ze de bak zonder problemen leeg.
Het suikerwater voor de korven wordt aan het eind van de dag met een gieter in de voerbak gedaan, waarvoor de uitlaatplank even een paar centimeter opzij wordt geschoven. Ze krijgen bij mij 4 kg suiker als de korf nog redelijk van gewicht is. Dat was op 28 september 2002 bij deze foto niet het geval. Dan krijgen ze later nog 1 à 2 kilo extra nadat de eerste volle bak van 4 kg is leeggehaald. Het lijkt weinig, maar ik heb nog nooit na de winter een dood korfvolk gehad en ik heb ze ook nooit bijgevoerd in het voorjaar. Van de korven wordt echter nooit honing afgenomen, zodat er altijd wel enige voorraad is.
In 2008 ben ik begonnen met het achterwege laten van het voeren van de korven. In mijn omgeving is een redelijke dracht van voorjaar tot nazomer. De korven moeten zelf in hun voedselbehoefte kunnen voorzien, want ik oogst er nooit honing van. Als ze daartoe niet in staat zijn zullen ze de winter niet overleven. Het zij zo, maar het is voor mij geen aanleding om dergelijke volken toch in leven te houden. Het klinkt hard, maar als ze zelf daartoe niet in staat zijn, hoef ik ze niet. Korven behandel ik nog wel met oxaalzuur tegen mijten omstreeks eind december en op de 25e dag na een voorzwerm. De zwermen van volken die wél overleven gebruik ik als productievolken in kasten. Het geheel pas in mijn visie om te proberen sterkere volken te selecteren, waardoor ik ook mijn imkermethode geheel heb aangepast.

Gedurende de winter staat er voor het korvenstalletje een gazen rek. Dat is bedoeld om de groene spechten af te weren. Enkele jaren geleden is door deze - overigens zeer fraaie - vogels tijdens een vorstperiode grote schade aan de korven toegebracht. Deze spechtensoort was vroeger bij ons in de buurt uitsluitend een vogel van de binnenduinrand. Ze zijn echter zeer talrijk geworden en waaieren wat uit. Het is een zeer regelmatige verschijning in mijn tuin om mieren te zoeken of te baden in de vijverrand. Het gaas wordt verwijderd zodra het voorjaar wat doorzet. De vogels leven eigenlijk uitsluitend van mieren. Die zijn echter in bevroren grond moeilijk te vangen. Dan willen ze ook wel honingbijen eten als het hongergevoel toeslaat. In de duinrand zijn het vooral de mierenhopen, die worden geplunderd. Bij vorst is dat ook nog redelijk mogelijk. De mierenkolonies zelf hebben er wel last van, maar overleven het meestal. De bijen hebben enigszins hinder van het gaas. Ze vliegen er met tegenzin doorheen. Het bemoeilijkt ook de oriëntatie. Tijdens de winter vliegen ze echter alleen bij een temperatuur boven 9º C en het is voor hun bestwil.
In winter 2009-2010 vroor het van half december tot half januari. Dat is voor een groene specht in mijn buurt dan een moeilijke tijd, want ze moeten het al die tijd zonder mieren doen. Bij mijn bijenstal waren er enkele kasten aangepikt, maar niet dwars door het hout heen en nog herstelbaar. Bij een collega-imker in de buurt was de schade veel groter. Zodra in de winter de temperaturen blijvend gedaald zijn en de bijen niet meer vliegen, hangt voortaan voor mijn bijenstal waarin de kasten staan een net.
Op de dakpannen van het korvenstalletje groeien sempervivemsoorten. In de zomer bloeien ze ook.
Ze hebben weinig verzorging nodig. Dit is dus slechts versiering en de relatie tot de honingbij is er niet echt, hoewel er wel een enkele honingbij op de bloemetjes vliegt.
Sommige namen van andere organismen is de natuur hebben wel met de honingbij te maken. Zo is er bijvoorbeeld de honingzwam, die zoetig ruikt en de bijenorchis, die - met veel fantasie - wat op een bij lijkt.
Het prachtige gebouw van warenhuis De Bijenkorf in Den Haag wordt wel beschouwd als het laatste grote voorbeeld van de Amsterdamse School-architectuur. Het is ontworpen door Pieter Lodewijk Kramer. Deze stijl ging gepaard met gebruik van veel bakstenen in het zicht, rondingen en versieringen, waarbij de paraboolvorm dikwijls is te herkennen. De vorm van een gevlochten normale bijenkorf heeft ook meestal ongeveer die vorm. Het gebouw is in maart 1926 geopend en ter gelegenheid daarvan is door het personeel van de vestiging Amsterdam een plaquette aangeboden. Die hangt in het fraaie trappenhuis, dat ook versierd is met prachtige ramen met gekleurd glas. Sommige geven gestileerde voorstelingen weer met diverse symbolieken.
Ook het wandbord heeft een aantal symbolische aanduidingen meegekregen van de ontwerper (Hendrik van den Eijnde). Een bijenkorf ontbreekt uiteraard niet en die zal wel staan voor allerlei bedrijvigheid. Erachter (of ermee verbonden) is op de plaquette een vertakte boom te zien. Het lijkt mij een symbool voor de diverse vestigingen van het bedrijf. De relatie tussen Amsterdan en Den Haag komt tot uiting door de aanwezigeheid van de gemeentewapens. De figuur links lijkt zich bezig te houden met het ratenbestand (bouwen, werken etc.). De figuur rechts heeft beide handen vol: een staf van wijsheid symboliseert waarschijnlijk het bestuur van de onderneming en de toorts met vlam de begeestering, de drijfveren die moeten leiden tot succes. Let wel, dit zijn mijn ideeën over deze uitbeelding en het is misschien toch wat anders. Ik heb ooit een boek gelezen waarin de werkelijke symboliek beschreven staat, maar ik ben het vergeten en ken het boek ook niet meer. Het zal wel een verhandeling over de Amsterdamse School zijn geweest, waarvan ik een liefhebber en bewonderaar ben.
Wie in de buurt van dit gebouw is, moet er beslist eens binnenlopen, maar neem dan niet de roltrap maar het trappenhuis. Het is zeer de moeite waard.
Serie foto's van de honingbij
Terug naar HOME
Fotogalerij imkerij en honingbij, deel 1
Propolis
Honing
Bijenzwermen
Varroamijt-bestrijding met oxaalzuur
Juridische aspecten van het bijen houden
Terug naar boven