Voor het laatst bijgewerkt op: 6 juni 2011
Bultbroed komt voor bij een onbevruchte moer of een moer waarvan de spermavoorraad op is. Een dergelijke moer wordt darrenbroedig genoemd (Eng.: drone layer). Ook in het geval van eierleggende werksters kunnen er alleen maar darren ontstaan en is het volk ten dode opgeschreven. Het laatste geval is te onderscheiden van een darrenbroedige moer, omdat bij leggende werksters per cel meerdere eitjes aanwezig zijn, ook tegen de celwanden. Omdat onbevruchte eitjes in cellen worden gelegd die bestemd zijn voor werksters, ontstaat via uitbouw van die cellen een soort maanlandschap, dat er warrig uit ziet. De darren die uit deze te kleine cellen worden geboren zijn ook klein van stuk.
Op de rechter foto is een detail te zien van het vorige plaatje met een bultbroedraam. Een mini-dar komt juist uit de cel gekropen.
Kijk hier om te zien hoe een normale broedraat er uitziet.
In deze close-up van de kop van een (levende) normale dar zijn mooi de 3 puntogen (ocelli) te zien tussen de facetogen. Met de facetogen worden kleuren, vormen en bewegingen waargenomen; met de 3 puntogen lichtverhoudingen tussen licht en donker. Bijen kunnen niet alle kleuren zien zoals wij die waarnemen, maar ze kunnen zeker niet minder zien. Ze zien 3 kleuren wit (wij maar 1), geel, blauw en zwart. Groen wordt gezien als geel en rood als zwart. Daarnaast kunnen bijen ultraviolet licht waarnemen en magnetische velden in de lucht. Die laatste gebruiken ze ook bij de oriëntering op bepaalde plaatsen, bijv. de bijenkast terugvinden. De andere wijze van kleuren zien helpt ze ook bij het bloembezoek. Bloemen zijn dikwijls ingericht op het aanwijzen van de plekken waar de nectariën zitten. Dat stimuleert de bij om er direct naar toe te gaan. De bloem is er mee gebaat, want zo komt de bestuiving tot stand, want de bij zal ook meestal stuifmeel (pollen) verzamelen of raakt met de harige pels de stuifmeelplekken en verspreidt dit zo naar andere bloemen van dezelfde soort. Darren bezoeken overigens geen bloemen. Dat doen alleen de werksters.
Een honingbij-dar is groter en iets hariger dan een honingbij-werkster. Ze hebben geen angel en het achterlijf is stomp met wat beharing.
Op nevenstaande foto is de voorkant van de kop van een (dode) dar te zien, die ik eind december 2006 op een vliegplank vond. De foto is gemaakt met een speciale macrolens en flitser en laat een extreme vergroting zien. Opvallend is de sterke beharing, zelfs op de ogen. Je zou denken, dat dit niet zo zinvol is, maar vermoedelijk geeft het bescherming van de kwetsbare facetten en ziet de bij er niet minder door. Deze beharing schijnt ook de windsterkte te kunnen meten, zodat de bij daar tijdens het vliegen rekening mee houdt. De ogen van een dar lopen naar boven toe door en raken elkaar, maar dat is op deze foto niet te zien door de stand van de camera; ook de 3 puntogen zijn hier niet te zien. Hier is nog een andere foto van een darrenkop te zien, die iets minder vergroot is.
De facetogen, puntogen en kaken van een dar zijn hier duidelijk te zien. De kaken zijn opvallend smal en klein vergeleken met de kaken van een werkster. Ook bij mannetjes van solitaire bijen zijn de kaken meestal zeer sterk ontwikkeld. Ze hebben daar ook een functie bij de paring. Bij de honingbij is dat niet het geval en de kaken hebben ze alleen nodig om zich uit de cel te knagen na de verpopping en metamormose. Dan volgt de geboorte.
Op deze foto vanuit een iets andere hoek zijn de antennen goed te zien. Mannetjesbijen hebben antennen met 13 segmenten (vrouwtjes 12). Om bij de honingbij-dar deze segmenten goed te kunnen zien is een extreme vergroting noodzakelijk. Bij alle solitaire bijen is het tellen van de antennesegmenten geen enkel probleem, maar bij de honingbij-dar is het wat moeilijker. De lengte van bepaalde segmenten is dikwijls een determinatiekenmerk bij solitaire bijen. De formule (verhoudingen tussen segmenten) is bij de honingbij-dar verschillend van die bij een werkster (zie ook hierna bij het volgende item).
Na de scapus en het pedicellum komen de flagellomeren. Opvallend bij de dar is dat de eerste 2 flagellomeren (= segmenten 3 en 4) zeer kort zijn. Daar verkijk je je op bij het tellen, maar dan kom je dus niet goed uit. Op deze foto heb ik de eerste 7 antennesegmenten genummerd. Dan is goed te zien dat er enorme verschillen zijn tussen de lengtes van de flagellomeren. Dit is geheel anders dan de antenneformule van een werkster. Hier is nog een foto van de kop van een andere dar, waarvan ik alle antennesegmenten genummerd heb, maar de segmenten 3 en 4 zijn minder duidelijk zichtbaar dan bij de vorige foto.
De vleugelformule van een dar is sterk gelijkend aan die van een werkster. Darren hebben uiteraard ook 3 submarginale cellen. Die zijn nauwelijks anders van vorm dan in de vleugel van een werkster.
Dit is de kop van een (dode) honingbij-werkster, die op een zij ligt. Ook hier is een van de facetogen goed zichtbaar en de voorste van de puntogen (ocelli), maar ook de kaken (de zg. mandibels) aan de onderkant van de kop. De merendeels ingetrokken tong is net vaag tussen de kaken te zien. Die heeft een lengte van tussen 5,7 en 7,5 mm, afhankelijk van het ras. Boven de mond is een soort horizontale afscheiding met keurig behaarde bovenlip (het zg. labrum); de plek daarboven is het onderste deel van het gezicht (het kopschild, de zg. clypeus); daarboven het bovenste deel van het gezicht rondom de antennen (het voorhoofd, de zg. frons). Mooi is ook de inplant van de antennen te zien. Opvallend is dat bij de werksters de lengte van de haren op de kop veel korter is dan bij de darren. Hier is de voorkant van een andere honingbij te zien, iets minder close-up, maar wel met veel prachtige details. Zo is de linker antenne (rechts in beeld) geheel te zien. Deze bestaat bij vrouwtjesbijen (werksters en koninginnen) uit 12 segmenten: de schacht (scapus) is het eerste (lange) segment, het tweede segment is het pedicellum, een soort scharniersegment. Het is zeer kort. Dat is de plek waar de knik in de antenne zit. De rest wordt de vlag genoemd (flagellum of flagel = totaal van de flagellomeren). Hier is nog de antenne van een andere werkster te zien met genummerde segmenten.
Koninginnen hebben een langer achterlijf dan werksters. Ook hebben ze een iets bredere kop. Honingkamerroosters (moerroosters) zijn daarom zo gemaakt dat de werksters er doorheen kunnen en de koningin niet, omdat de kop net iets te breed is. Een koningin gedraagt zich anders dan werksters. Ze loopt eroverheen als het nodig is, maar de werksters gaan normaal wat opzij en stellen zich op met de kop naar de koningin toe. Zodra ze dat wenst wordt ze gevoed. De werksters likken haar ook regelmatig geheel af en zo worden haar feromonen in het volk verspreid.
Koninginnen hebben roodbruine poten en antennen; werksters en darren zwarte. De antenne van de koningin heeft op de bovenzijde van het smalle 4e segment een doorntje zitten, dat bij werksters en darren ontbreekt. De functie ervan zal met bepaalde waarnemingen te maken hebben, maar blijft verder in het ongewisse, want ik ken er geen enkele andere publicatie over.
Een honingbij heeft aan de voorpoot een voorziening om de antennen te reinigen. Bij bloembezoek kan de gehele bij onder het stuifmeel geraken, zoals hier te zien is. De antennen zijn uiterst gevoelige organen, waarmee de bij zeer nauwkeurig kan ruiken en temperaturen vaststellen. Geuren spelen een zeer belangrijke rol bij insecten en bij de honingbij is die waarneming van geuren ook van belang voor de communicatie van het volk. Nieuwe drachtbronnen kunnen via lichaamstaal qua richting en afstand worden aangeduid met de zogenaamde 'bijendans'. Bijen geven elkaar ook de nieuwe geuren door. Waakbijen aan de opening van de kast controleren of de nestgeur van de binnenkomende bij in orde is. Zo niet, dan wordt die bij niet toegelaten of afgestoken. Dat kan ook gaan om een eigen bij die een verkeerde geur heeft opgedaan vanwege bijvoorbeeld een bespuiting met gif.
De antennen moeten dus schoon zijn om optimaal te kunnen ruiken. De voorpoten zijn daartoe voorzien van een antenne-reiniger. Dat is het ronde gat dat hier te zien is aan de binnenkant van de top van de metatarsus. De bij trekt daar de spriet doorheen om deze van stuifmeel en stof te ontdoen.
Op de foto zie je van links naar rechts de volgende pootonderdelen: het klauwtje, het voetje, de tarsleedjes, de metatarsus met aan het begin de antennereiniger, een deel van de scheen met aan het uiteinde een doorn. De poot heeft tussen de scheen en de thorax ook nog een dij, trochanter en coxa, maar die staan er vanwege de extreme vergroting niet op. Zie voor een volledige (achter)poot deze foto. De doorn van de scheen wordt mogelijk ook gebruikt bij het poetsen. Door het scharnieren van de poot kan de doorn de poetsopening immers enigszins afsluiten, zodat de antenne aan alle kanten kan worden gereinigd.
Ook de honingbij-dar heeft deze voorziening aan zijn voorpoot. Hij moet immers geheel schone antennen hebben om de feromonen van bronstige koninginnen zo goed mogelijk waar te nemen. Op deze foto is de poot gebogen en de doorn lijkt een afsluitende fuctie te hebben. Ook de koningin heeft deze holte in de voorpoot.
In de vleugels van insecten zijn veel bijzonderheden te ontdekken. Sommige details van de beadering kunnen van belang zijn voor de determinatie van veel bijen, wespen en vliegen. Bij de honingbij is men bij de rassenteelt vooral geïnteresseerd in de zogenaamde Cubitaal-index. In deze vleugel heb ik enkele letters en cijfers gezet. De letter M staat in de marginale (ook wel: apicale) cel, die bij honingbijen zeer langgerekt is en ver doorloopt, bijna tot aan de vleugeltop. De cijfers 1, 2 en 3 staan in de sub-marginale cellen. Deze cellen noemt men bij honingbijen ook wel 'cubitaalcellen'. De cubitaal-index is de afstand BC gedeeld door AB, te meten vanaf de aderknooppunten. Bij deze bij was dat een waarde van 2,3 en dat is vrij gemiddeld: meet het maar eens na. Bij Carnica-bijen loopt die waarde van 2,4 tot 3,0. De laagste waarde bij bastaardbijen is ongeveer 1,5.
Op deze foto is ook goed zichtbaar, dat de vleugel bestaat uit een boven- en een ondervleugel. Vliegen hebben slechts een enkel paar vleugels en daarmee onderscheiden ze zich direct, hoewel dat op het eerste gezicht in het veld niet steeds gemakkelijk is waar te nemen.
Als het broed niet warm genoeg gehouden (kan) worden, omdat bijvoorbeeld bij gunstig weer iets te veel is aangezet door de bijen, kan er bij verslechtering van de omstandigheden zogenaamd kalkbroed ontstaan. De larven worden aangetast door een schimmel (Ascosphaera apis) en mummificeren. De myceliumdraden van de schimmel zijn mannelijk of vrouwelijk. Indien een larve door beide is aangestast ontstaan er geslachtscellen van de schimmel wanneer de draden elkaar raken. Als de verdroogde larven wit van kleur zijn is er slechts aantasting door één geslacht. Bij verkleuring tot donkergroen of zwart zijn er geslachtscellen gevormd. Op bijgaande foto zijn beide soorten zichtbaar. De vatbaarheid voor kalkbroed of, anders gezegd: het onvoldoende weerstand kunnen bieden aan deze broedaantasting, is ook enigszins erfelijk. Het omwisselen van de moer doet het meestal direct verdwijnen. De ziekte manifesteert zich het meest in het voorjaar.
Als de bijen door te lage temperaturen gedurende lange tijd niet hebben kunnen uitvliegen om te ontlasten, krijgen ze 'hoge nood' en raakt de voorkant van de kast dikwijls vervuild door uitwerpselen. Als het een ernstige vorm heeft spreken we van 'roer'. Het kan ook het gevolg zijn van een ernstge Nosema-besmetting. Nosema apis is een eencellig organisme, dat zich via sporenvorming explosief kan verspreiden. De sporen zijn latent aanwezig in praktisch ieder bijenvolk. Als er voldoende vers stuifmeel binnenkomt gaat het meestal vanzelf over. Bij roer gaat het merendeels om jonge broedverzorgende bijen, die na een koudeperiode gebrek aan water hebben gekregen. De darmen van deze bijen verstoppen dan met onverteerde stuifmeelkorrels en zodra de buitentemperatuur het toelaat gaan ze massaal naar buiten om zo snel mogelijk te ontlasten. Soms wordt echter ook de binnenkant van de kast en de raat bevuild. Bij de voorjaarscontrole moet de imker daarop attent zijn en vuile kastonderdelen en raten vervangen.
In 2007 is er ook Nosema ceranae in Nederlandse honingbijenvolken vastgesteld. Deze Nosema-soort lijkt een ernstiger gezondheidsprobleem bij de bijen te veroorzaken en houdt mogelijk verband met de zg. verdwijnziekte (CCD: Colony Collapse Disorder). Deze Nosema-soort gaat niet vanzelf weg bij voldoende dracht van vers stuifmeel. Door Nosema ceranae wordt het epitheelweefsel van de middendarm aangetast, waardoor voedselopname wordt bemoeilijkt en schadelijke virussen (vooral APV en DWV) meer kansen hebben zich in het bijenlichaam te vestigen. Ook niet door varroamijten aangeprikte bijen, zullen zo besmet raken. De varroamijt zuigt bloed bij de volwassen bijen en plant zich voort in het bijenbroed, waarbij de larven worden beschadigd. Via het bloedzuigen worden ook de virussen in het bijenlichaam gebracht. De bijen leven door dit alles aanzienlijk korter en trachten dat te compenseren door meer broed aan te zetten. Daardoor raken de volken gestrest en sommige gaan daaraan tenonder in zeer korte tijd, waarbij er dan nog ruim voldoende voedselvoorraden aanwezig blijken te zijn. In combinatie met andere factoren als pesticiden en onvoldoende stuifmeeldracht, kan het proces nog versneld worden. Omdat de virussen worden verspreid door de varroamijten is bestrijding van die mijten een dringende noodzaak, het gehele jaar door, maar vooral omstreeks eind juli als de winterbijen aangemaakt gaan worden. Daarnaast is verversing van de raten belangrijk. Dat kan door natuurzwermen aan te houden en die veel te laten bouwen. De raten, ook lege, en het kastmateriaal kunnen sporen bevatten van Nosema ceranae. Het opruimen van oudere raat en het ontsmetten van materialen is daarom nuttig.
Door de bijen worden diverse soorten cellen gemaakt. Hier zijn er veel te zien: de lange naar beneden gerichte moerdop, de bol gedekselde darrencellen en de kleinere werksterbroedcellen. Dit is de bovenkant van een broedraam uit een onderbak. Tussen de ramen maken de bijen ook zogenaamde braamraat. Dat is raat om grotere openingen te overbruggen. Ze hebben dikwijls niet de volledige zeskantige honingraat celvorm. Normale cellen worden gebruikt voor opslag van honing, stuifmeel en broed.
Als de verpopping van de jonge koningin klaar is wordt door haar het randje van de cel opengeknaagd. Ze zal uitlopen als dat haar niet wordt belet door de werkbijen. Dat laatste is het geval als er al een moer in het volk loopt die een tutend geluid maakt (een tuter). De andere rijpe moeren maken ook dit geluid doch door de celwand van de moerdop wordt het vervormd tot een kwakend geluid (zij worden kwakers genoemd).
De jonge moer wordt hier geforceerd geboren, omdat dit volk werd nagezien en daarmee verstoord is. Enkele kwakers zien dan kans om uit de cel te kruipen. Dat gebeurt hier. De moer is te herkennen aan de bruine poten. Werksters en darren hebben zwarte poten. Hier is de pas geboren koningin te zien voor de opening van de moerdop. Ze gaat er snel vandoor.
Op deze foto is een dode koningin te zien. Ze lag voor een kast na doppen breken en is dus afgestoken door een andere koningin. Het is een moer van een donker type en zij heeft op de poten niet alleen een roodbruine kleur, maar ook nog wat zwarte vlekken. Vanaf de zijkant is dat nog beter te zien.
Hier is ter completering de voorkant van het dier te zien.
In een volk waaruit de moer is verwijderd zal het volk redcellen maken. Eén- à tweedaagse werksterlarven worden alsnog gepromoveerd tot koninginnenlarven doordat de bijen ze koninginnengelei gaan voeren. Op het hiernaast staande plaatje zijn op deze kant van het raam 17 redcellen aangezet. Dat is vrij veel, want ook elders in het volk zijn er nog aanwezig. Meestal zijn het er tussen de 10 en 20 stuks totaal.
Een moerloos volk zonder open broed, waarvan de redcellen zijn verwijderd, noemt men een 'hopeloos moerloos' volk. Een dergelijk volk is zeer geschikt om kunstmatig koninginnen te produceren via overlarven of het aanbieden van eitjes van een teeltmoer. De kunstmatige doppen worden goed uitgebouwd, zoals op bijgaand plaatje met omlarfdoppen te zien is. De hier gebruikte dopjes zijn van was gemaakt. Aangeboden plastic koninginnendopjes waarin door de imker een jonge larve wordt geplaatst (het zg. overlarven), worden door de bijen overigens ook verder met was uitgebouwd. Ik gebruik eigen gemaakte dopjes van was. Daarvoor is een vormhoutje nodig en hete was tegen het stollingspunt van ongeveer 60° C., zie bijgaande foto, waar te zien is hoe de wasdopjes op een latje geplakt zijn met een druppel hete was. Om varroa-besmetting van de teeltdoppen te voorkomen is het beter om een hopeloos moerloos volk te gebruiken als starter. De na 1 dag 'aangeblazen' doppen worden daarna in een moergoed pleegvolk gehangen in de honingkamer boven een moerrooster en tussen 2 ramen open broed. Na 4 dagen zijn de doppen verzegeld en kunnen ze beter in een moerloos volk worden gehangen om verder te rijpen. Om te voorkomen dat de doppen worden afgebeten of geheel in was worden ingebouwd, kunnen de doppen eventueel worden verpakt in 'krullers'. In dit voorbeeld waren er van de 24 aangeboden omlarfdoppen na 1 dag in 2 startvolken 20 aangeblazen doppen, die in 1 teeltvolk 14 goede doppen gaven. Dat is een normaal resultaat, doch het kan iets beter.
Het invoeren van alle soorten koninginnen gaat meestal goed met behulp van een Nicotkluisje. Het gaat ook prima met een kunstmatig gemaakte wasdop, waarin enkele gaatjes zijn geprikt.
Als bodem met scharnierende vliegplank gebruik ik een model met een verkleinblokje. Zonder dit blokje is de opening 2 cm hoog over de hele breedte van de kast. De inkeping in het midden van de onderkant is bedoeld voor de reisriemen bij vervoer van de bijenkasten naar elders. De riemen worden zo niet beschadigd op de aanhangwagen. Midden in de bodem is een ventilatie-opening gemaakt van 15 bij 20 cm waarover roestvrijstalen gaas met ruime maaswijdte is gemonteerd. Mijn ervaring is dat praktisch alle bijenvolken dit gaas ongemoeid laten, dus er geen propolis op afzetten. Kleinere openingen worden meestal met propolis afgesloten. Deze gaasopeningen zijn erg handig bij het reizen, want de bijen lopen niet snel warm en 's winters is er een goede ventilatie, waardoor schimmelramen worden voorkomen. Het gaas wordt dus ook in de winter niet afgesloten. De volken overwinteren bij mij op 20 ramen in 2 broedkamers. Het verkleinblokje geeft een opening van 8 mm hoog en wordt eind augustus in de vliegopening geplaatst en pas begin mei weer verwijderd.
Om vervliegen van bijen te voorkomen geef ik enkele kastwanden een andere kleur dan de rest. De standaardkleur bij mij is groen. Het vervliegen is bij koninginnenteelt nog veel belangrijker. Een in de verkeerde kast teruggevlogen moer is verloren. Die wordt direct afgestoken. Daarom heb ik voor de zekerheid de drieramers, waarin ik jaarlijks enkele afleggertjes maak met overtollige goede doppen, van extra kenmerken voorzien. Dat werkt in de praktijk heel goed. Ik zet ze meestal gewoon tussen de hoofdvolken in. De berovingspogingen zijn dan minder. Ze krijgen alleen verzegeld voer mee, worden 2 dagen koel en donker in de schuur gezet en pas 's avonds voor het eerst geopend. Dat geeft meer eenheid en voorkomt ook roofzucht.
De meeste imkers gebruiken moerroosters tussen het broednest en de ramen bedoeld voor honingopslag. De werkbijen kunnen er door maar de koningin en de darren niet. Het effect van veel ruimte aanbieden voor honingopslag is bij mij ook, dat het broednest wordt uitgebreid tot aan het rooster. Het raam onder het rooster is dan praktisch geheel gevuld met broed. Links is een voorbeeld daarvan te zien met merendeels verzegeld werksterbroed. Enkele cellen zijn niet benut. Die kunnen worden gezien als misgeboorten. Als dat sterk het geval is, spreken imkers van hagelschotbroed (zie volgende foto). Dat kan ook het gevolg zijn van een te ver doorgevoerde inteelt. Dat is hier niet het geval en de aantallen lege cellen vallen nogal mee. Van de circa 2700 beschikbare cellen aan één kant van de raat zijn er hier ongeveer 300 niet benut voor broed. Dan zijn er dus circa 2400 nieuwe bijen op komst van deze kant van het raam. Het gehele raam levert ongeveer 4800 jonge bijen op, omdat de andere kant er ook zo uitziet.
Dit is een broedraam uit de bovenbak (2e broedkamerrand) zonder honingkamer erboven. Dat is te zien aan de bolvormige bovenkant van de broedplek. Er is ook wat nectar opgeslagen tussen het broed in leeggevallen of leeggebleven cellen. Dat is hier sterk het het geval. Dit is een voorbeeld van hagelschotbroed. Het ligt aan de koningin, die veel te veel afwijkende, niet levensvatbare eitjes legt in de cellen. De bijen herkennen dit en ruimen die weer op. Daardoor ontstaan veel gaten in het broednest en dat is erg onvoordelig in verband met de warmtehuishouding. Zulke koninginnen worden door de imker opgeruimd. Als inteelt de oorzaak is, zou de nateelt misschien beter kunnen zijn. Omdat er nog meer oorzaken mogelijk zijn kan beter een koningin van een geheel andere afkomst worden ingevoerd in een dergelijk volk.
Op de foto rechts toon ik een door mij in ieder volk gebruikt darrenraam. Het is eigenlijk een zg. bouwraam. Het hangt bij mij in alle volken in de onderbak, als 3e raam van links. De beide helften van het raam zijn open ruimte. De darrenraat die in een open deel praktisch bij ieder volk gebouwd wordt, snij ik af en toe uit, maar niet meer dan twee keer per seizoen en dan per keer meestal een half raam. In dit raam was door de bijen gedeeltelijk honing opgeslagen door ruimtegebrek elders. De uitgesneden stukken darrenraat worden enkele tientallen meters verderop in de tuin gehangen om te worden leeg gehaald door de mezen en de grote bonte specht. Op het plaatje achter deze foto (klikken) is een normaal darrenraam te zien.
Op bovenstaande linker foto is een darrencel te zien, waarin 4 larven zaten. Bij het uitsnijden van darrenraat zag ik een naar beneden gerichte cel. Ik dacht dat het een moerdop was. Het bleek echter een cel met 4 darrenlarven te zijn. In de cel ernaast, die ook vreemd van vorm was en die ik later openmaakte zaten 2 larven. Helaas beschadigde ik de larven met de punt van het mes, zodat die niet meer te zien zijn op de foto. Een andere cel iets meer naar rechts was ook fors maar had slechts 1 larve, zoals op de laatste foto te zien is. Het is een speling der natuur, want bijna altijd zal er slechts 1 larve, van welke soort dan ook, in een cel zitten. Dat in 1 cel meerdere eitjes zijn gelegd komt dikwijls voor. Dat behoeft niet te wijzen op eierleggende werksters, maar het is gewoon een vergissing van de koningin. De overtollige eitjes worden normaal door de werksters opgeruimd.
Links is een raam uit de bovenbak van het eerder genoemde Buckfastvolk te zien met een flinke honingrand. De boog van het broednest is mooi te zien. Mijn echtgenote helpt mij wel eens, maar pakt zich altijd goed in. Bezoekers die eens mee willen kijken moeten ook op deze wijze zijn beschermd. Ik heb daar voldoende materiaal voor.
Bij het optillen en terugplaatsen van broed- en honingkamers is het handig om enige grip te hebben op het materiaal. Ik heb aan de meeste kamers handgrepen gemaakt en ik kan u verzekeren dat het de moeite waard is, want het werkt veel gemakkelijker, zeker als het een substantieel gewicht wordt bij een honingkamer. De opbouw-handgrepen die uitsteken voldoen een stuk beter dan de ingefreesde gaten, die de handel aanbiedt in kastmateriaal.
De bijenvolken staan in de zomer meestal op Luzernevelden op Noord-Beveland. Het betreft een grote oppervlakte Luzerneklaver, die wordt geteeld voor de droogvoederfabriek te Kortgene. De luzerneplant behoort tot de vlinderbloemigen. Pas bij een temperatuur van boven 22ºC geeft de plant voldoende nectar nectar af om door de bijen te worden bevlogen. Dan kan het goede oogsten geven. Het gewas bloeit echter nooit lang, want dan gaat de kwaliteit achteruit. Na het maaien duurt het 4 weken voordat de planten weer bloeien. De combinatie van warm weer en bloeiend gewas maakt het met de bijen reizen op deze dracht een beetje een gok. In sommige jaren levert het praktisch niets op. In andere jaren geeft het topoogsten.
Op de foto van de bijenkasten in de grasrand van een luzerneveld is op de achtergrond de unieke boerderijvilla 'Steenhove' zichtbaar. Het was vroeger een buitenplaats met bijgebouwen.
De zomer van 2003 was prachtig, maar het gewas had wel te lijden van de droogte. De honingopbrengst was echter toch prima. Op de foto zijn de eerste 2 delen van de bijenkast de broedruimte. Daarboven is de honingkamer, die nooit voor broed wordt gebruikt. De honingkamers staan boven een moerrooster, zodat het broed ook werkelijk daaronder blijft, omdat de koningin niet door het rooster kan.
Voor de kasten ligt een uitgestrekt luzerneveld, dat in de 2e week van augustus 2003 geheel in bloei stond na de 2e maaibeurt in juli.
De in een korf gehuisveste zwerm bouwt mooie nieuwe raat. In een korf worden praktisch altijd 9 raten aangezet. Die zijn hier alle reeds zichtbaar. De buitenste raten hangen aan de zijkanten van de korf en zijn dus korter. Een korf heeft gemiddeld een inhoud die niet groter is dan een zesraamskastje.
Het is leuk en leerzaam om het korfimkeren uit te oefenen naast het houden van bijen in kasten. Dat laatste is handiger voor de imkeringrepen en voor het houden van grote volken, die nodig zijn voor het oogsten van honing.
De korven hebben echter hun eigen charme. Ze vragen om een geheel andere aanpak. Ik houd ze alleen voor de aardigheid en de zwermen. Die zijn echter ook wel eens lastig. Soms is het wat te veel. Ik had ooit 5 nazwermen uit één korf. Als ze dat twee maal per jaar doen heb je dus na één seizoen van 1 korf: 2 voorzwermen en 10 nazwermen. Het vergt dan wat improvisatievermogen om het aantal volken beperkt te houden.
Het stertselen en de klier van Nasanov zijn op de linker foto close-up in beeld gebracht. Op de foto rechts van de ingangsopening van de korf is van alles te zien. Zo wordt er bijvoorbeeld stuifmeel naar binnen gebracht. Voor een belangrijk deel zijn de bijen rondom de opening waakbijen.
De klier van Nasanov produceert een feromoon, dat volkseigen is. Zo herkennen de bijen die geur. Het waaieren van deze geuren van de klier van Nasanov wordt stertselen genoemd. Het kan verschillende doelen dienen, maar meestal is het een methode om aan te geven dat daar de plek is waar de bijen naar toe moeten gaan. Na het scheppen van een zwerm zie je bij de schepkorf vele tientallen werksters aangeven aan de nog rondvliegende bijen, waar ze moeten zijn. Ik zag dit gedrag ook bij een volk dat net gezwermd had, maar waarvan er redelijk wat jonge, nog niet georienteerde bijen, weer terugkeerden. Er werd massaal gestertseld op de vliegplank, zoals deze foto laat zien. Dit gedrag kun je ook waarnemen als er een jonge koningin van de bruidvlucht moet terugkeren.
Bij het zich vestigen van een zwerm op een bepaalde plaats, wordt direct gestart met het maken van raat. Dat is immers het enige materiaal om de voorraden in op te slaan en nieuw broed te maken. Bijen worden in de zomer niet oud: ca. 5 à 6 weken. Het is dus nodig om vrijwel direct voor de volgende generatie bijen te zorgen. De eerste eitjes worden bij een voorzwerm (dus met een reeds bevruchte moer) binnen enkele uren reeds gelegd. Ook cellen die nog niet geheel zijn uitgebouwd worden daarvoor al gebruikt. Verdere opbouw van de wanden volgt later. Op de foto is een stukje raat te zien van een dergelijke zwerm, waarbij de raat door mij verticaal dwars is doorgesneden om de eitjes te tonen.
Hier is ook goed te zien hoe de celbodems van beide zijden van de raat ten opzichte van elkaar gesitueerd zijn.
Bij een zeer sterke close-up hoop je dingen te zien, die je anders niet ziet. Hier heb ik geprobeerd een eitje van een honingbij zo groot mogelijk in beeld te brengen (juli 2008). Het betreft een onbevrucht eitje in een darrencel. Opvallend aan het eitje is de gele kleur aan de basis. Ik vroeg aan dr. Hayo Velthuis, die een expert is op dit gebied, wat dit kon zijn. Mijn kennis daarover is erg onvoldoende en in enige naïviteit veronderstelde ik misschien iets van een dooier te zien. Hij hielp mij direct uit de droom en gaf nadere uitleg, maar dan gelijk wetenschappelijk met gebruikmaking van enkele begrippen die ik voor het eerst vernam. Hieronder geef ik (bijna letterlijk) zijn tekst weer.
De rijping van een ei in het ovarium van de bijen (en alle andere Hymenopteren) begint met een reeks kerndelingen van de primaire oöcyt. Die
differentiëren zich in drie typen. Allereerst een cel met kern die het
uiteindelijke ei zal worden. Daarachter een aantal zogenaamde
trofocytcellen. Het geheel wordt dan omhuld door een laag epitheelcellen.
Groei houdt in het opnemen van voedingsstoffen. Die moeten worden
geabsorbeerd vanuit de buitenwereld. Doordat er in het begin, naast de
oöcyt, ook een aantal trofocytcellen zijn, is de totale buitenkant veel
groter en verloopt de groei van het geheel navenant sneller, vergeleken met
insecten die geen trofocytcellen kennen. Op een gegeven ogenblik krijgen die
uitgegroeide trofocytcellen verbinding met de oöcyt, ze lopen er a.h.w. in
leeg. Het is een snelle volumevergroting van het ei. Dan snoert het epitheel
in en ontstaat er, naast de grote eicel, een corpus luteum, met de restanten
van die trofocytcellen. De epitheelcellen rond het ei, oorspronkelijk
hoog-cylindrisch, worden bij de plotselinge lengtegroei uitgerekt,
platgetrokken, en vormen het omhulsel van het ei (in zijn proefschrift van omstreeks 1960 zijn daar foto's van gepubliceerd, maar van een andere bijensoort).
Binnen het ei (en nu gaat het over deze foto) is er behalve de celkern ook
het eiwit. Dat zie je als grijs op de foto. Het is vlokkig materiaal. En het
gelige is een heldere vloeistof, of de kleur zit er buitenop.
Bij de honingbij is er ook een plaatsingsprobleem. Hier moet het ei in horizontale positie worden gelijmd tegen een vertikale celbodem. Vermoedelijk wordt daarom de gele kleur door die lijm veroorzaakt en die zit aan de buitenkant. Het is in ieder geval geen dooier, want bij insecten is er geen verschil tussen het ei-wit en de dooier. De eiwitvoorraad zit in het egaal grijze. Wat de heldere vloeistof precies is blijft onduidelijk.
Op de grotere foto achter dit plaatje is broed in alle stadia te zien. Imkers noemen het kortheidshalve als afgekorte notitie ook wel BIAS. Dat wil dus zeggen dat er zowel eitjes, open larven als verzegeld broed aanwezig zijn. Rechtsboven op de vergrote foto is verzegeld broed te zien, waarbij 1 cel net dichtgemaakt wordt. Linksonder zijn eitjes te zien en verder overal larfjes van verschillende leeftijden. De koningin legt de eieren meestal in kringen rondom een bestaande broedplek. Dat is hier goed te zien aan de grootte (leeftijd) van de larven. Hier is een stukje raat te zien met aanduiding van de leeftijd van de larven. Nadat een werksterlarve 6 dagen is gevoed, wordt de cel met een poreus wasdekseltje afgesloten. Kort daarna neemt de larve een andere houding aan ter voorbereiding op de verpopping. Zij strekt zich met de kop naar de buitenkant. De laatste vervellingen en verpopping geschieden in de gesloten cel. Na 12 dagen komt de jonge werkbij uit de cel tevoorschijn. Voor een dar duurt dit stadium 15 dagen en een koningin doet er 7 à 8 dagen over. Een overzicht (Excelfile) van de vervellingen en verpopping van een koningin kunt u hier downloaden. Het is een door mij gebruikt teeltschema waarin de verschillende stadia worden genoemd. Voor werksters en darren gelden dezelfde stadia, doch ieder met een andere duur.
De meeste imkers geven hun bijen kunstraat (ook wel: waswafels). Dat is een kunstmatig gemaakte celbodem, gegoten of geperst van echte bijenwas, die de bijen zelf verder moeten uitbouwen. Sommigen laten de bijen alles zelf bouwen. Dat lukt het best in een houten raampje (frame) waaraan onder de toplat een driehoekig latje is gemonteerd met een scherpe hoek naar beneden gericht. Daaraan bouwen de bijen graag een nieuwe raat.
Als je de celstructuur bekijkt van kunstraat zie je in doorzicht (tegenlicht) een Y-vorm in de celbodem of een omgekeerde Y, namelijk als je de raat vanaf de andere kant (horizontaal draaien) bekijkt. Bijen die geheel zelf een nest opbouwen beginnen met een raat die aan beide zijden een omgekeerde Y laat zien, maar in het begin is het soms wat rommelig met allerlei structuren door elkaar. Zie foto 2 voor een dergelijke raat en foto 3 voor de door mij ingetekende structuren. Iedere raat ernaast heeft aan de binnenzijde een omgekeerde Y en aan de buitenzijde de gewone Y. Dat geldt voor alle andere raten, dus zowel links als rechts van de centrale raat. Er is dan dus een centrale raat waaruit voortgebouwd wordt met de Y-vorm aan de buitenkant. Een oneven aantal raten is dan de logische uitkomst als aan beide zijden van de centrale raat even actief wordt gebouwd. Dat is bijv. goed te zien in strokorven, waar de bijen alles zelf moeten doen.
De raat van de foto waarin ik rode lijnen tekende kwam uit een zwermkistje dat een nacht had overgestaan. Daarin wordt dikwijls de eerste raat gebouwd. Het stukje raat heb ik met doorschijnend licht gefotografeerd. Het was lastig om een goed beeld te krijgen. In gewoon doorzicht zonder camera was het erg duidelijk. Nu zou je er namelijk hier en daar ook een gewone Y in kunnen herkennen, maar dat komt door de fotobelichting.
Kunstraat wordt in allerlei maten en celbreedtes geproduceerd, maar nooit in een vorm die geschikt is als centrale raat. Omdat kunstraat dus slechts in één vorm wordt aangeboden moeten imkers een zo goed mogelijk alternatief hebben voor de Y-structuren. Dat kan met een denkbeeldig midden van het volk. Bij gebruik van 10 ramen in een broedkamer dienen er naar beide zijden 5 ramen te zijn met de Y naar buiten gericht. In een dergelijke kast voelen de bijen zich beter op het gemak, omdat die de natuurlijke vorm benadert. Ze zijn dan rustiger en zwermen minder snel. Er zijn echter nauwelijks imkers die deze methode nauwgezet toepassen. Het is ook lastig, want een raam omdraaien, dus met de eerdere achterkant naar voren terughangen mag natuurlijk niet. Dan wordt de harmonie verstoord. Een raam dat defect is of om een andere reden vervangen moet worden kan het best met een raam kunstraat omgewisseld worden, want dan is de Y-structuur veel gemakkelijker vast te stellen dan in een uitgebouwd gebruikt raam.
Imkers die 11 ramen in een broedkamer gebruiken, kunnen het beste de middelste raat zonder kunstraat aanbieden (met driehoekig latje), zodat de bijen die raat geheel zelf kunnen inrichten. Aan beide zijden daarvan dan de kunstraten.
De zogenaamde 'Housel Positioning' van raten is ontdekt door de Amerikaan Michael Housel. Op deze site (Eng.) is het nog wat uitvoeriger te lezen.
Ongeveer één week voordat gezwermd gaat worden, kun je aan de buitenkant van een korf goed zien, dat zwerplannen zijn gemaakt. Het volk heeft zwermdoppen aangezet en een deel van de bijen wacht op het zwermsein buiten het broednest: ze 'maken een baard'. Deze bijen zitten bij goed weer ook 's nachts op de buitenkant van de korf. Het worden er dagelijks meer. Een ander deel van het volk gaat gewoon door met de werkzaamheden. De korfopening wordt ruim vrijgehouden voor in- en uitgaand verkeer. Kennelijk moeten de aanstaande zwermers niet meer deelnemen aan deze activiteiten, omdat er al genoeg zijn. Dat past het volk niet in de organisatie van de huishouding.
Het huisvesten van een geschepte zwerm gaat het mooist door deze in de nieuwe behuizing te laten inlopen. Daartoe wordt de kast voorzien van kunstraat. Een doek zonder vouwen wordt onder de vliegplank bevestigd. Eventueel gebruik ik een plankje onder de doek als de kast wat hoger staat. De zwerm wordt tegen zonsondergang op de doek voor de kast gestort.Vrij vlug hebben de bijen de neiging om naar boven te lopen. Zodra er enkele bijen de plek herkennen als geschikt, beginnen ze te stertselen. Dan komt de rest vlug in beweging. De opening van de kast moet bij het inlopen niet te klein zijn, anders verstopt de ingang snel.
Na een uur is de hele horde meestal voor een groot deel al binnen. De rest volgt dan binnenkort, doch soms pas de volgende dag als het licht (warmer) wordt.
In deze 10-raamskast had ik 2 kleinere voorzwermen geplaatst. Samen was het een flinke kluit bijen. Ik heb ze eerst in een groot plastic vat bij elkaar gedaan en licht besproeid met een dunne oxaalzuuroplossing (3%) als varroabestrijding. Ze hadden ieder apart een nacht overgestaan en de volgende morgen heb ik ze in de kast geschud en dus niet laten inlopen. Na ongeveer twee uur tijd kwam er een groot deel van de bijen naar buiten, sommige stormachtig zoals bij het afkomen van een zwerm. Ik heb er naast gezeten om te kijken of ik een koningin zou zien. Dat lukte niet en de zwermpoging verliep in enkele golfbewegingen. Na verloop van tijd gaven ze het op en gingen weer naar binnen. Het proberen te zwermen werd vermoedelijk ingegeven door de aanwezigheid van twee koninginnen. Toen er een van de twee was afgestoken na een tweestrijd was ook de zwermneiging weg. Ze zijn ijverig kunstraat gaan uitbouwen.
Een geheel onnatuurlijke reden voor een zwerm om de aangeboden nieuwe ruimte de volgende dag weer met spoed te verlaten is UMTS-straling. Op 550 meter afstand van mijn bijenstand is omstreeks 2007 een UMTS-mast geplaatst. Er staan ook 2 GSM-masten van verschillende sterkte op iets grotere afstand, maar die staan er al veel langer en gaven nooit problemen. De UMTS-mast produceert kennelijk voor de bijen een zeer irritante straling die de oriëntatie bemoeilijkt. Ze willen alleen maar daarvandaan weg. Van de natuurzwermen die ik sedertdien huisvestte in schone behuizing met waswafels wil ongeveer de helft de volgende dag weer vertrekken. Zo ben ik helaas heel veel zwermen kwijtgeraakt. Ik heb eerst gedacht dat de behandeling met oxaalzuur een reden was voor de bijen om te vetrekken. Dat bleek niet het geval, want als ik ze niet direct behandelde wilde ook 50% weer weg.
Om het wegvliegen te voorkomen heb ik de moer wel eens 2 dagen in een kluisje opgesloten, maar dat is extra werk, want dan moet ik de moer in de zwerm opzoeken (en dat is niet zo eenvoudig) en ze ook weer na enige tijd vrijlaten. Ook dat geeft weer verstoring. Ik experimenteer nu (2011) met strippen moerrooster, die ik voor de vliegopening van de kast plaats. Die laat ik 2 dagen zitten en kijk of er met stuifmeel wordt gevlogen. Na 2 of 3 dagen haal ik de strippen weg en kan een onbevruchte moer alsnog oriëntatievluchten maken en op bruidvlucht gaan. Ik hoop ik er dan het beste van. Het idee daarachter is uiteraard dat een zwerm niet kan vertrekken als er geen moer mee kan vliegen en ze moeten dus na een zwermpoging terugkeren naar de kast. Helaas kan ik ze op mijn erf geen stralingsvrije plek bieden.
Zwermen die niet op tijd worden gevonden trekken meestal in een schoorsteen, spouwmuur of iets dergelijks. De ruimte moet voldoende zijn om een nest uit te bouwen. Soms vinden ze geen geschikte ruimte en blijven ze hangen op de plek waar ze neerstreken. Als het redelijk vast mooi weer is, komt het wat meer voor. De zwerm op dit plaatje (juli 2003) is vermoedelijk een nazwerm, die ongeveer 2 weken oud is. Ze hadden bij ontdekking al 7 raten gebouwd in een kleine conifeer. Zo open en bloot is voor de bijen een groot risico. De winter kunnen ze zo in ons klimaat niet overleven. Om het broed warm te houden op 34º C. is veel energie (brandstof=honing) nodig. Als de warmte langs alle kanten ontsnapt, hebben de bijen op koudere dagen isolatieproblemen met een dergelijk broednest.
De raten zijn door mij één voor één uitgesneden en de stukken raat met broed zijn in lege bedrade raampjes gedrukt. De honingranden worden dan merendeels afgesneden en niet in de raampjes gemonteerd, omdat dit een kleverige kliederzooi geeft, waardoor veel bijen het leven laten. Om ze toch daarna te helpen worden ze bij thuiskomst direct gevoerd met suiker. Van dit volkje kon ik zo 3 raampjes redelijk vullen. De bijen bouwen de raatstukken aan elkaar vast en na 2 dagen kon het kastje vervoerd worden. Een dergelijke raat ziet er na een paar dagen zo uit. De draad die door de cellen gedrukt is, geeft wat extra gaten in het broed, maar de schade valt reuze mee.
Serie foto's van de honingbij
Terug naar HOME
Fotogalerij imkerij en honingbij, deel 2
Propolis
Honing
Bijenzwermen
Varroamijt-bestrijding met oxaalzuur
Juridische aspecten van het bijen houden
Terug naar boven